Twee hoofdstukken ‘Wolvinnen van Otrostaadt’

Wolvinnen van OtrostaadHieronder kun je de eerste twee hoofdstukken lezen van Wolvinnen van Otrostaadt, het derde boek van De Onzichtbare Maalstroom. Veel leesplezier!

Copyright © 2016 Jasper Polane – Quasis Uitgevers

Redactie: Linda van Oostendorp

Alle rechten voorbehouden

 

1. Clash en een psalm

De hele weg naar huis huilde ze.

De nacht was stervenskoud, de wind van ijs. Hij trok zich niets aan van de wollen winterkleding die ze droeg en bevroor haar door merg en been. Het was niet de bedoeling geweest dat ze lopend naar huis zou gaan – verdomme, het was helemaal niet de bedoeling om vanavond naar huis te gaan. Maar David, die klootzak…

Inge probeerde haar gezicht droog te vegen met haar wollen wanten, maar dit had alleen het effect dat de wanten het vocht in zich opzogen en haar handen nog verder afkoelden. Ze trok haar sjaal omhoog zodat die haar neus bedekte en versnelde haar pas.

Ze kwam uit op het Engelenplein, met in het midden de bronzen engel. Inge zag het treurige gezicht van het beeld en barstte opnieuw in tranen uit. Ze ging op een stoeprand zitten. Met haar hoofd in haar handen verborgen huilde ze een aantal minuten lang. Haar wanten en sjaal werden daardoor steeds natter en kouder, maar dat kon haar niet schelen. Ze had tien minuten geleden haar relatie verbroken. Daarbij vergeleken was natte kleding een kleinigheid.

‘Gaat alles goed?’ vroeg een vrouwenstem.

Inge keek op. Voor haar stond een ouder echtpaar, zij gekleed in een dure bontjas, hij in een lange donkere jas van scheerwol, beiden met een bezorgde blik op hun gezicht. Inge wreef met de mouw van haar jas langs haar neus, maar daardoor smeerde ze alle snot alleen maar uit.

De man trok een handschoen uit en zocht in zijn zakken. ‘Snuit je neus maar even.’ Hij reikte haar een paars-groen geruite zakdoek aan. ‘Hij is schoon.’

Inge nam hem aan en snoot.

‘Huil je om een jongen?’ vroeg de vrouw met medeleven in haar stem. ‘Ja hè, een jongen. Ik kan het aan je zien. Zulk verdriet kan alleen door hartzeer veroorzaakt worden.’

‘Bemoei je er niet mee, Friedel!’

‘Het geeft niet.’ Inge gaf de zakdoek een beetje beschaamd terug.

‘Ach kind, neem van mij aan: als hij de ware voor je is zal het gebeuren. En als het lot iemand anders voor jou bedoeld heeft, dan kom je die vanzelf weer tegen.’

‘Het lot,’ bromde haar man. ‘Wat een onzin. Dacht je dat jij en ik samen zijn gekomen door het lot?’

‘Het lot én mijn mooie benen.’ De vrouw gaf Inge een vette knipoog.

Inge kon een glimlach niet onderdrukken. ‘Het gaat wel weer. Bedankt.’

‘Ga nu maar snel naar huis, meisje. Het is veel te koud om lang buiten te blijven.’

Inge knikte. Ze schaamde zich nog steeds een beetje dat deze aardige mensen haar hadden zien huilen, maar was blij dat het tenminste David niet was.

Bij die gedachte stond ze vlug op. Ze zou niet langer op straat gaan zitten snotteren. Als David haar op de fiets achterna zou komen en haar zo zou zien zitten… Nee, dat genoegen wilde ze hem niet geven.

‘Nogmaals bedankt, meneer, mevrouw.’ Inge maakte een handbeweging die het midden hield tussen een saluut en wuiven en sloeg toen de hoek om.

Inge woonde op een bovenwoning: haar voordeur leidde naar een krakende houten trap die uitkwam op haar nauwe gangetje. Ze hing haar jas op aan de kapstok, waardoor het bijna onmogelijk werd erlangs te lopen en de deur erachter te bereiken.

Ze onderdrukte de neiging om meteen op de bank in de woonkamer te gaan liggen huilen. In plaats daarvan zette ze de radio aan. De ritmische muziek van een clash-orkest vulde de woonkamer.

Vanavond zou ze niet huilen. Dat waren die lul en die slet van hem niet waard. Ze zou met een warme kop thee op de bank gaan zitten lezen. Geen treurig, zwaar boek; nee, iets leuks, iets grappigs. Uit de boekenkast pakte ze het boek van Walter Huisman dat ze verleden week van een vriendin had gekregen. Ze hield eigenlijk niet van Huisman, juist omdat zijn boeken erg oppervlakkig waren, maar voor deze gelegenheid was hij perfect. Nu alleen nog thee en ze was klaar voor een avondje David vergeten.

In de keuken zette ze snel een fluitketel water op het vuur. Ze pakte de bus met de grappige afbeelding van een kaboutertje en rommelde erin totdat ze een zakje citroenthee had gevonden. Ze wilde net een mok pakken uit het kastje onder het aanrecht toen de deurbel ging.

Zie je wel, daar zou je hem hebben! Inge pakte de mok en zette die met een klap op het aanrecht, harder dan ze bedoeld had. Nou, ze zou hem mooi niet binnenlaten. Ze zou hem buiten in de kou laten staan. David moest maar eens voelen hoe erg hij haar had gekwetst. Misschien als hij morgen, of overmorgen… Nee, hij was vreemdgegaan. Met Barbara nog wel! Inge wilde hem nooit meer spreken. En haar ook niet! Ze…

Ze hoorde van beneden gerommel aan de deur. Daarna gekraak, gevolgd door een klap toen de deur weer dichtsloeg. Inge hield haar adem in. David had geen sleutel. Had hij de deur geforceerd? Ze liep de keuken uit, vastbesloten om hem eens goed de waarheid te vertellen.

Op dat moment gingen alle lichten uit.

De radio stopte een moment met spelen. Toen hij verderging klonk er geen clash-muziek meer, maar een psalm, gezongen door monniken. Vanaf de trap klonk het gekraak van iemand die naar boven kwam, op een of andere manier luid genoeg om boven de radio uit te komen.

‘W-wie is daar?’ Ze kreeg geen antwoord. ‘David?’

Ze deed enige passen achteruit de keuken in. Haar hand zocht in het donker de keukenla en opende die. Na even tasten haalde ze er een aardappelschilmesje uit: niet groot, maar flink scherp. Daarna stapte ze terug de gang in.
Ze keek het trapgat in. Het was erg donker, maar haar ogen begonnen aan het duister te wennen. Een zwarte gedaante, donkerder dan de schaduw om hem heen, kwam de trap op. De duisternis leek zich om hem heen te vouwen om hem verborgen te houden, waardoor het even duurde voordat Inge er een mens in herkende. Inge deed geschrokken een paar passen achteruit.

De ogen van de man schitterden een helder grijs in het donker. Eén blik in die ogen vol haat en vernietiging en ze wist dat hij niet van plan was haar te laten ontsnappen.

Ze hief haar mes, dat nu bijzonder klein leek. Ze dwong zichzelf niet in paniek te raken. In plaats daarvan probeerde ze te bedenken hoe ze weg kon komen. Ze kon niet langs de voordeur, want dan moest ze langs de inbreker. Een andere uitweg dan: haar slaapkamer had een klein balkon. Vandaar moest ze wel een eind naar beneden klimmen, maar het was in ieder geval een weg naar buiten.

Ze liep zo snel als ze in dit donker durfde de nauwe gang door naar de deur naar boven. Daarbij liep ze tegen haar jas aan, die prompt van de kapstok viel. Inge probeerde hem van zich weg te duwen en tegelijkertijd door te lopen. Ze hoorde dat het gekraak van de trap was opgehouden. Haar belager moest vlak achter haar lopen.

Ze liep door, tastend naar de knop van de deur, die ze pas na enkele pogingen vond. Ze gooide hem open en nam enkele stappen de trap op. Daarbij bleef haar jas tussen haar benen steken. Inge struikelde. Ze probeerde de trapleuning vast te grijpen, maar greep mis en stootte haar hand tegen de muur. Een vlammende pijn schoot door haar pols. Ze smakte tegen de trap en stuiterde acht treden naar beneden. Haar voorhoofd stootte tegen een van de treden. In een poging het aardappelschilmesje vast te houden sneed ze zichzelf in haar duim.

Onder aan de trap bleef ze versuft liggen. Ze wenste vurig dat David op dat moment de trap op zou komen stormen, net op tijd om haar te redden. Maar dat gebeurde niet. Hij was blijkbaar bij Barbara gebleven, in plaats van Inge achterna te snellen.

Kreunend draaide ze zich om. Haar pols klopte van de pijn en ze was haar mes kwijtgeraakt. Haar rechterhand voelde nat. Haar duim bloedde. Ze keek het duister in, totdat ze het silhouet van een man ontwaarde, donkerder dan donker, op amper een meter afstand van haar.

‘Alsjeblieft,’ smeekte ze. Haar stem klonk banger dan ze wilde. ‘Alsjeblieft, doe me niets.’

De gedaante lachte. Het was een onverwacht menselijk geluid dat hem alleen maar bedreigender maakte. Zijn ogen fonkelden in het donker. Inge realiseerde zich dat hij ervan genoot dat ze smeekte, maar dat het niet zou helpen.
‘Ga weg! Ik-ik heb een mes!’

De gedaante lachte nogmaals en stapte dichterbij. Iets zilverkleurigs fonkelde in de duisternis.

Zijn stem kraakte in haar geest. –Ik ook.

2. Bepaling drie-punt-vier

Ondanks de kou had een flinke menigte zich verzameld in de Vanweggenstraat: ramptoeristen die op de radio van de moord hadden gehoord, toevallige voorbijgangers die bleven kijken en journalisten van de radio en de schrijvende pers. De politie zette een aantal meter rondom het huis af met tegendrukgeneratoren, die een onzichtbaar veld creëerden om alle pottenkijkers buiten te houden.

Een zilverkleurige automobiel zonder dak – duidelijk te duur voor de jonge vrouw die erin zat, dus een dienstauto – kwam geruisloos aanrijden en parkeerde aan de overkant van de straat, onder de neonreclame voor een alcoholvrij biermerk. Het beschermingsveld dat ervoor zorgde dat de inzittende het ondanks de kou warm had flikkerde even toen ze uitstapte.

De vrouw had een woeste bos blonde krullen en een guitig, met sproeten bedekt gezicht. Ze droeg een modieuze spijkerbroek – geïmporteerd uit een andere wereld – en een tomaatrode winterjas. Toen ze de straat overstak zag ze tussen de dienders achter het tegendrukveld Hans Sangers van Recherche BV lopen en ze zwaaide om zijn aandacht te trekken.

De rechercheur kwam naar haar toelopen zodra hij haar zag. ‘Edison Walraven, wat een fijne verrassing!’

Edison ritste haar dikke jas open want ze had het snikheet, ook al was het stervenskoud en had ze eronder alleen maar een dun truitje aan. Bijkomend voordeel was dat het truitje de meeste mannen als bij toverslag hulpvaardiger maakte. Aan zijn schaapachtige grijns te zien liet het Hans in ieder geval niet onbewogen.

‘Hallo Hans.’ Edison zette haar meest stralende glimlach op, ook al was dat een beetje overdadig. ‘Wat is er aan de hand?’

‘Er is iemand gevonden. Meer mag ik je niet vertellen. Er zijn geen aanwijzingen dat er een extradimensionale… euh… dimensie aan deze zaak zit, dus dit is een zaak voor de Recherche, niet voor Alix.’

‘Is het slachtoffer Inge Jonker?’ Ze wuifde naar een saai uitziende man in een donkergrijs pak, die eruitzag alsof hij binnen op kantoor zat in plaats van buiten in de kou liep. Hij zag haar en kwam op haar aflopen.

‘Ik mag niet…’ begon Hans nog eens.

‘Edison! Dat is lang geleden!’ riep de man in het saaie pak enthousiast.

Edison vertrouwde Mason Daniels voor geen meter. Hij was immers een advocaat en haar vader had haar op jonge leeftijd geleerd dat je advocaten niet kon vertrouwen. Maar in bedrijfsrecht was Mason de beste en hij had de firma Alix heel goed verdedigd tegen alle schadeclaims. Edison kreeg de rillingen toen ze terugdacht aan de vele middagen die ze in de getuigenbank had moeten doorbrengen. Het had net zo goed de beklaagdenbank kunnen zijn, dat realiseerde ze zich best. Maar niemand wist van haar rol in het ontstaan van het Nullpunt en de firma had die kennis geheim weten te houden.

‘Vat dit niet persoonlijk op, maar: niet lang genoeg, Mason.’

‘Wat doe je hier?’ vroeg de advocaat.

‘Er kwam een jurisdictie-melding bij de firma Alix binnen.’ Ze klopte op het onzichtbare krachtveld dat haar buiten de plaats delict hield. ‘Inge Jonker valt onder bepaling drie-punt-vier van de vijfde bijlage bij het contract tussen Alix en het College van stadhouder en schepenen.’

Het viel haar mee dat Daniels de bepaling niet hoefde op te zoeken in het dikke boek met contracten dat hij vast en zeker ergens achter in zijn automobiel had liggen. In plaats daarvan keek hij even in de lucht en sprak: ‘Bepaling drie-punt-vier… Inge Jonker was een dubbelaar?’

‘Agenten van de firma hielden haar al geruime tijd in de gaten,’ antwoordde Edison. ‘Jaren.’

Hans Sangers keek timide naar hun beide gezichten. ‘Wat is een dubbelaar?’

‘Dat mag ik je helaas niet vertellen,’ zei Edison met een gevoel van genoegdoening. ‘Althans, niet voordat we zeker weten dat het een rol speelt in de moord.’

‘Maar het betekent dat je al je informatie over de moord moet delen met de toegewezen agent van Alix.’ Mason drukte op een knop op de zilverkleurige metalen paal naast hem. De generator sloeg af, een gat in het tegendrukveld openend.

‘Die agent, dat ben ik.’ Edison huppelde erdoorheen en drukte op dezelfde knop, het veld weer activerend. ‘Aan het werk.’

‘Ik moet je eerst registreren, Edison.’

‘Registreren. Natuurlijk. Geen probleem.’ Edison zocht haar zakken af totdat ze in een binnenzak haar IdEgo-ponskaart vond. Ze overhandigde de kaart aan Hans, die hem door een metalen doosje heen haalde. Er klonk een piepje en een groen lampje ging branden, het universele teken dat alles oké was.

‘Goed. Wijs me de weg.’

Hans Sangers ging Edison voor, de krappe, krakende trap op. ‘Het slachtoffer is inderdaad Inge Jonker, achtentwintig jaar oud, kleuterjuf van beroep. Ze werkt op een kleine kleuterschool in de Parkwijk. Ze werd gevonden door haar vriend, David Groen.’

‘Is hij verdacht?’

‘Ze hadden ruzie. Jonker belde onverwacht bij hem aan terwijl hij… euh… ander vrouwelijk bezoek had, ene Barbara van Aalst. Jonker rende meteen weg, maar Groen wachtte tot de volgende ochtend eer hij haar achternaging. Toen was het al te laat.’

Relatieproblemen. Altijd een geliefd motief voor moorden, ook al zou het logischer zijn dat de vrouw haar overspelige vriend zou vermoorden, in plaats van andersom.

Toen Mander haar had verteld dat hij een nieuwe vriendin had voelde Edison zich verraden en had ze in een vlaag van pure woede de lampen van zijn automobiel kapotgeslagen en zijn banden laten leeglopen. Maar ze had er geen moment aan gedacht hem te vermoorden. Bovendien hadden die gevoelens meer te maken gehad met de dood van Rune dan haar liefde voor Mander, die toen toch al bekoeld was.

Ze kwamen ondertussen boven aan de trap. Je hoofd bij de moord houden, Edison. ‘Hoe is ze om het leven gebracht?’

‘Dat is onduidelijk,’ zei Hans. ‘Zo te zien heeft ze meerdere messteken gekregen, maar het is niet te bepalen of die daadwerkelijk de doodsoorzaak waren. Kijk maar.’

Aan het andere eind van de vliering lag het lichaam van Inge Jonker. Ze lag op haar rug, haar armen voor zich uit de lucht in gestoken, alsof ze nog steeds haar vijand probeerde af te weren. Als eerste vielen Edison haar handen op: gerimpeld als de handen van een oude vrouw, de gele kleur van kerrie, vingers gekromd als de klauwen van een vogel. Pas daarna zag ze het gezicht: de ribbelige huid strakgetrokken over de schedel, de lippen opgetrokken als een grommend beest. De goedverzorgde, parelwitte tanden vormden een scherp contrast met het verschrompelde uiterlijk dat ze alleen uit het museum kende.

‘Het is een mummie. Uitgedroogd alsof hij eeuwenlang in een tombe in de woestijn heeft gelegen.’ Ze herinnerde zich een woestijn ver weg, in een andere wereld, en het meisje dat daar heerste. Ze zette de nare herinnering van zich af.

‘En? Iets te maken met een, euh… dubbelaar?’ vroeg Hans.

Edison hurkte naast het lichaam en keek de mummie in haar lege oogkassen. Met haar wijsvinger porde ze in een brede kloof in haar wang, waar een mes haar had gestoken, waardoor er een zacht straaltje droge stof uit begon te stromen. Een rilling liep over haar rug.

‘Dat weet ik nog niet, daar heb ik eerst meer informatie voor nodig. Maar het lijkt niet onwaarschijnlijk.’

‘We zijn een buurtonderzoek gestart,’ zei Hans. ‘En ik wil meneer Groen nog aan de tand voelen.’

‘Prima. Dan raadpleeg ik mijn eigen bronnen.’

Achter haar klonk gestommel en toen ze zich omdraaide zag ze Mason Daniels met een bedrukt gezicht de trap opkomen, alsof hij net slecht nieuws had ontvangen. Achter de advocaat kwam een knappe man van middelbare leeftijd met een zongebruinde huid, tanden zo wit dat ze bijna licht gaven en het onvermogen met glimlachen op te houden. Behoorlijk irritant. Edison kende Arvid Alting van de hoorzittingen waarin hij haar had ondervraagd over haar rol in het veroorzaken van het Nullpunt in Otrostaadt-Alix. Dat hij werkte voor de grootste concurrent van de firma Alix, maakte hem niet sympathieker. Zeggen dat Edison hem niet mocht zou haar animositeit tekortdoen.

‘Wat doet híj hier?’ Edison wees met een beschuldigende vinger naar Arvid – zoals hij zo vaak naar haar had gedaan.

‘Ook goedemiddag, Walraven.’ Arvid glimlachte, zoals altijd.

Hij had een sexy lach, viel Edison op. Dat irriteerde haar nog meer. ‘Deze pd is gezagsgebied van de firma Alix. Ophoepelen, Theodora!’

Arvid schudde zijn hoofd alsof ze iets heel doms had gezegd. ‘Je zult zien dat jij het bent die op moet hoepelen. De gezagsgebieden van de firma Alix en de firma Theodora zijn veranderd. Contractueel bevind je je op verboden terrein.’

Edison keek Mason aan, maar de advocaat kon alleen maar zijn schouders ophalen en overhandigde haar een brief. ‘Jullie contract met het stadsbestuur is opgeheven. De firma Alix is niet langer gemachtigd zich in te laten met bedreigingen uit andere dimensies.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *